Standpunten

GB logo webAan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Katwijk

Katwijk, 28 januari 2014

Betreft: vragen ex art. 41 RvO over grondbeleid in gemeente Katwijk

Geachte College,

Voor veel gemeenten is bouwgrond een heet hangijzer. In het verleden is er veel grond gekocht. Inmiddels is de grondmarkt in distress, zoals dat heet. De klassieke manier van gebiedsontwikkeling werkt nagenoeg niet meer. De vraag naar (bouw)rijpe grond is beperkt. Opbrengsten nemen af, winstprognoses verdampen en maken plaats voor afwaarderingen en verliesvoorzieningen. Ook de andere partijen die acteren binnen de keten van gebiedsontwikkeling herbezinnen zich op hun rol.

Voor gemeenten, dus ook voor Katwijk, zal het grondbeleid vooral gericht moeten zijn op het faciliteren van de gewenste ruimtelijke en maatschappelijke ontwikkelingen. Tegelijkertijd zullen nieuwe ontwikkelingen met voorzichtigheid moeten worden benaderd. In de visie van GemeenteBelangen geldt dat zowel voor private initiatieven als voor initiatieven waar de gemeente ook nog zelf grond zou kunnen verwerven. Een terughoudend actief grondbeleid betekent ook dat het instrument van de Wet voorkeursrecht gemeenten (WVG) terughoudend moet worden gehanteerd. De WVG  gemeenten verschaft de gemeente de mogelijkheid om als onderdeel van een grondstrategie bij voorrang de betreffende grond te (kunnen) verwerven, indien de grondeigenaar de gronden aanbiedt. Het wordt wel een “passieve vorm van verwerving” genoemd. Het voorkeursrecht is tevens te betitelen als een “beschermingsinstrument tijdens de planontwikkeling”. Immers, ongewenste verkopen kunnen voorkomen worden en grondspeculatie kan zo wellicht worden tegengegaan. In de nota “Grondbeleid” van de gemeente Katwijk uit 2012 wordt op pagina 30 ten aanzien van de WVG het volgende vermeld: “Een eenmaal gevestigd voorkeursrecht dwingt de gemeente om tijdig besluiten te nemen over volgende stappen in het planologische proces. Dit is niet altijd haalbaar en gewenst. Op dat moment moet een strategische keuze worden gemaakt tussen enerzijds de noodzakelijke zorgvuldigheid bij de ruimtelijke ordeningsprocedures en anderzijds de wens om het voorkeursrecht te handhaven en daarmee grondposities te kunnen verwerven”. Dit leidt tot de volgende vragen aan het College:

  1. Kunt u een overzicht geven op welke gebieden binnen de gemeente Katwijk op dit moment sprake een voorkeursrecht gevestigd op basis van de WVG?
  2. Kunt u op basis van het overzicht aangeven wat de (ontwikkel)plannen zijn met deze gebieden? En, op welke termijn?
  3. Als er ten aanzien van bepaalde gebieden geen ontwikkeling op korte termijn is te voorzien, kunt u dan ten aanzien van elk van die gebieden waarbij dat het geval is aangeven welke reden(en) u niettemin hebt om te blijven vasthouden aan het voorkeursrecht op die gebieden? En, verhoudt zich het langdurig vasthouden aan het voorkeursrecht in bepaalde gebieden, bijvoorbeeld voor een periode van 10 jaar, tot de hierboven genoemde passage uit de nota “Grondbeleid”, mede tot het belang van de grondeigenaren?
  4. Kunt u in vervolg op vraag 3 vervolgens aangeven waarom op de ene locatie in de gemeente Katwijk de WVG wordt opgeheven en bij de andere niet?
  5. Bent u ook van mening dat de nieuwe realiteit rond de ontwikkelingen op de grondmarkt maakt dat keuzes rond het grondbeleid, in het bijzonder in relatie tot de vestiging van voorkeursrechten op grond van de WVG, heroverwogen zouden moeten worden? Zo neen, waarom niet?
  6. Hoe kijkt u aan tegen de uitspraken van Maxime Verhagen, voorzitter van Bouwend Nederland  van 28 januari 2014 (bron: www.bouwendnederland.nl) dat:

a. gemeenten hun grondprijzen met 40 tot 50 % moeten verlagen. Als dat niet gebeurt is zijn stellingname, dan blijft nieuwbouw te duur en komt de bouw niet op gang, en
b. als de gemeente ondernemer wil spelen en winst wil maken op zijn grond, moet je ook ondernemer zijn in slechte tijden en je verlies nemen, net zoals echte bedrijven dat doen.

Met vriendelijke groet,

Emile Soetendal